Het Gelmelslot van Hoogstraten

Inleiding
Het legendarisch ontstaan
De eerste ´Vrouwen en Heren´ van Hoogstraten
Antoon de Lalaing & Elisabeth Culemborgh
Hoogtepunt en verval : de volgende graven
De vorsten van Salm Salm
Nieuwe tijden, een nieuwe bestemming
Het kasteel als bedelaarshuis, landbouwkolonie en penitentiair schoolcentrum
De verschillende bouwstijlen van het huidige complex

 

Crossroads

Tijdens het bewind van Napoleon werden aan de achterkant van het kasteel nieuwe vleugels opgetrokken en werden de gebouwen van het eigenlijke kasteel met elkaar verbonden tot een nieuw, afgesloten en ommuurd geheel.
Aanvankelijk bedoeld als kazerne voor de Franse gendarmerie, en bijgevolg geschikt om grote groepen mensen logies te kunnen bieden, kreeg het bij keizerlijk dekreet in 1810 een nieuwe bestemming.
Het Bedelaarsgesticht van de Beide Nethen, oorspronkelijk gevestigd in een Dominikanenklooster te Mechelen, moest verhuizen naar het Kasteel van Hoogstraten.
In alle gemeenten van de provincie Antwerpen werden aanplakbrieven verspreid met het volgende keizerlijk bevel: "Al wie zonder bestaansmiddelen is en genoodzaakt is te bedelen, zal zich binnen de twintig dagen bij het bestuur van zijn lokaliteit aanbieden om opgenomen te worden in Hoogstraten. Wie aan dit bevel niet gehoorzaamt, zal door de Maréchaussées aangehouden worden en naar het gesticht worden gevoerd. Alleen de gouverneur kan bevel tot ontslag verlenen."
Bedelen was nu officieel strafbaar geworden, en wie zich niet vrijwillig aanbood, kon worden ingerekend. Speciale speurders, apparaiteurs genoemd, zagen er een aardige verdienste in... voor elke arrestant kregen ze immers 64 centiemen uitbetaald. De jacht op bedelaars en landlopers was geopend.

In het kasteel werden onder leiding van de eerste directeur, de Heer Bausart, de nodige werken uitgevoerd om het goed functioneren van de nieuwe instelling, dépôt de mendicité, te kunnen garanderen.
Jean Louis Romain Bausart was 32 toen hij op 1 september 1810 met zijn vrouw zijn intrek nam in de oostelijke vleugel van het kasteel, die in 1782 heropgebouwd werd, en die nog een tiental jaar bewoond was geweest door de laatst residerende hertogin-weduwe, prinses Louise. Dit eerste huwelijk bleef kinderloos, maar na het overlijden van zijn vrouw, verwekte de directeur vermoedelijk een onwettig kind bij zijn meid, met wie hij, na speciale toestemming van de pastoor in 1831 zou hertrouwen en die hem later nog 9 kinderen zou schenken.
Tijdens het Hollands bewind, bekleedde hij een schepenambt in het gemeentebestuur en toonde hij zich een loyaal aanhanger van Willem I. Ook na de Belgische onafhankelijkheid bleef hij schepen.

Aanvankelijk werd de bewaking in het Bedelaarshuis afwisselend toevertrouwd aan een militaire en een burgerwacht, en moesten de gemeentebesturen dagelijks 15 centiemen bijdragen in de onderhoudskosten van bedelaars uit hun gemeente, die te Hoogstraten geïnterneerd waren. Bestuurlijk viel de inrichting onder provinciale bevoegdheid. In 1822 en 1823 werden extra gronden aangekocht voor het uitbouwen van een landbouwkolonie, vanaf toen werd er gestructureerd aan heide-ontginning en landbouw gedaan. Volgens een Koninklijk Besluit van 1836 kregen de werkende bedelaars in het gesticht een dagloon van 23 centiemen. Omwille van het batig saldo op de begroting van dat jaar, stelde de directeur voor aan de opgesloten bedelaars "elke morgen een zekere hoeveelheid melk, warm water en bitterpeeën uit te delen", waarmee de Provincieraad kon instemmen.
Einde 1838 bedroeg de bevolking van het gesticht 278 personen. Alle kinderen onder de 16 jaar gingen naar school. Ze kregen onderricht van een onderwijzer die aan de instelling was toegevoegd.
In 1840 werden de dagelijkse broodporties opgetrokken. Volwassenen die in open lucht werkten kregen voortaan 750 gram in plaats van een halve kilo, voor de kinderen werd het rantsoen vermeerderd met 50 gram tot een halve kilo. De bevolking bestond toen uit 185 mannen, 108 vrouwen en 44 kinderen.
Voor de vrouwen was er toen werk in een spinnerij en linnenweverij, er was een naaiatelier en ze breiden kousen, mutsen en sokken en hielpen wellicht in de keuken en de huishoudelijke dienst. Voor de mannen waren er timmerwerkplaatsen en een schrijnwerkerij, er was werk in de smidse, in de bakkerij en vooral op de boerderij die voor het grootste gedeelte van de inkomsten van de instelling zorgde. Degenen die werkten kregen maandelijks een derde deel van hun loon uitbetaald, het overige werd als spaargeld bewaard.
Tijdens de daaropvolgende jaren wisselde de populatie van het bedelaarshuis voortdurend. In 1847 waren er bijvoorbeeld 623 mensen ingeschreven, het jaar daarna slechts 385.
Uitzonderlijk, en vermeldenswaard, is dat in de jaren 1840 ook de Amerikaanse goudkoorts in Hoogstraten toesloeg. In 1850 werden 17 gedetineerden van Hoogstraten naar Antwerpen gevoerd van waaruit ze op kosten van het stadsbestuur met een driemaster naar New-York konden vertrekken. Het jaar nadien kwamen 13 daklozen zich in Hoogstraten aanmelden met het verzoek eveneens gratis naar Amerika te kunnen reizen.
Om het godsdienstig en zedelijk leven van de gedetineerden, die overwegend katholiek waren, in de mate van het mogelijke te behartigen, was al vanaf 1811 een seculiere geestelijke belast met de zielenzorg. Binnen de muren van de inrichting werden de kerkelijke sacramenten toegediend in de oude slotkapel die eigenlijk veel te klein was. Vanaf 1845 werd besloten de oude wapenzaal als kapel te herinrichten, en in 1851 werd de nieuwe kapel in gebruik genomen. Ze werd toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopneming.
 

Eind april 1852 nam de heer Bausart ontslag als eerste directeur van het Bedelaarsgesticht, enkele maanden later overleed hij op de leeftijd van 74 jaar.
Onder het bestuur van de tweede directeur, de heer De Lobel, werd het Bedelaarswerkhuis uitgebreid en ingericht om 879 gevangenen te kunnen plaatsen.
In de jaren 1880 werd de inrichting officieel een landbouwkolonie, en was ze er op voorzien om aan ruim 1700 mensen onderdak te kunnen verlenen. Velen kwamen per spoor toe vanuit Antwerpen, destijds liep er een tramspoor tot op het domein. Een impressie van het reilen en zeilen in de inrichting uit die periode, opgetekend door de Antwerpse letterkundige Max Rooses, en gepubliceerd in de Nieuwe Rotterdamse Courant van 16 september 1883: "... De inrichting van werkhuizen, waar ieder kostganger van het gesticht zijn eigen ambacht uitoefent, was een werk, dat de tegenwoordige bestuurder zich tot taak stelde. Er is dan ook geen bedrijf denkbaar, of men ziet het hier aan de gang: niet alleen bakkers, wevers, kleer- en schoenmakers, smeden en timmerlieden, die het benodigde voor het gesticht voortbrengen, ziet men hier aan de arbeid; maar rijtuigmakers, boekbinders, steen- en koperdrukkers, sieraadschilders, meubelmakers en wat nog al meer voeren hier van buiten bestelde werken uit. Een tucht, die meer doet denken aan militaire stiptheid dan aan de gestrengheid der gevangenissen, heerst hier tallenkant en het is wezenlijk een treffend schouwspel, op al die verslenste wezenstrekken het ontzag voor de bevelhebber te lezen, en uit hun taal meer nog de eerbied dan de vrees te horen spreken.
Terwijl wij de binnenplaats overtrokken, kwam de bezending nieuwe kostgangers van die dag aan. Er waren een dertigtal mannen. Hierheen komen veroordeelden door de rechtbanken van enkele politie (sic), straatlopers, bedelaars, mensen zonder middelen van bestaan, heel de droesem der samenleving, niet hare gevaarlijke bestanddelen, maar hare afgedwaalde schapen, die ook dikwijls schurftige schapen zijn. Het was ellendig om ze aan te zien. Ieder hunner, afzonderlijk genomen, had men zonder verwondering door onze straten kunnen zien dwalen of dronken op onze voetpaden zien liggen; maar, tot een groep geschaard, was het een treurig, misselijk schouwspel. De meesten waren in verhakkelde kleding; met ontkleurde blauwe kiel, broek met franjen, onbeschrijfelijke hoofddeksels en schoenen; één onder hen zag er uit als een kaal heertje met ronde modische hoed en fantasie-kostuum. Wat romans voert zulke schaar u op vijf minuten voor de geest, en hoeveel aangrijpender is misschien de werkelijkheid dan hetgeen u de verbeelding doet zien!...
"
 

Door de wet van 1891 werd het eigenlijke Bedelaarswerkhuis overgebracht naar buurgemeente Merksplas, en werd het Kasteel van Hoogstraten ingericht als Toevluchtshuis met milder regime voor zwakke en zieke mannen. De vrouwenafdeling werd overgebracht naar Sint-Andries, bij Brugge.
Van 1914 tot 1924 verbleven op het kasteel de Zusters Norbertinessen, die na Duitse aanvallen 700 zenuwzieke vrouwelijke patiënten per tram hier naartoe hadden gebracht. Na een verblijf van 10 jaar keerden ze terug naar hun oorspronkelijke woonplaats of naar het nieuwe Bethaniëhuis te Zoersel.
In 1929 werd door een Koninklijk Besluit het Toevluchtshuis op het kasteel definitief afgeschaft en in 1931 kreeg het zijn huidige bestemming van Penitentiair Schoolcentrum.

[Naar boven ]