Het Gelmelslot van Hoogstraten

Inleiding
Het legendarisch ontstaan
De eerste ´Vrouwen en Heren´ van Hoogstraten
Antoon de Lalaing & Elisabeth Culemborgh
Hoogtepunt en verval : de volgende graven
De vorsten van Salm Salm
Nieuwe tijden, een nieuwe bestemming
Het kasteel als bedelaarshuis, landbouwkolonie en penitentiair schoolcentrum
De verschillende bouwstijlen van het huidige complex

 

Gravin Gabriëla de Lalaing verbleef meestal op het Hof van Hoogstraten te Mechelen en in Antwerpen, maar haar bijzondere zorg ging eveneens uit naar het kasteel en de bevolking van het Land van Hoogstraten.
Ze stond bekend als een milde weldoenster, en hoewel ze het graafschap en andere eigendommen in 1685 per testament aan haar erfopvolgers had overgelaten, verbood ze bijvoorbeeld per codicil dat haar zoon bomen zou laten kappen in Hoogstraten en Merksplas ten einde de belabberde financiële toestand aan te zuiveren. Die waren immers nodig voor de restauratie van het kasteel en aanhorigheden, de molens en hoeven die haar zo nauw aan het hart lagen. Het slot, ooit "de parel van de kastelen in heel het hertogdom Brabant", was feitelijk een ruïne. Verdwenen waren de Bourgondische pracht en praal van weleer, bij de verarmde adel was het armoe troef en schraalhans koning.

Er waren zelfs geen middelen meer voor het oprichten van praalgraven voor de afgestorven familieleden en slechts met veel moeite kon men in het kasteel een paar vertrekken bewoonbaar houden. Koetsen en rijpaarden, vuurwapens en ander krijgstuig waren er niet meer, in de brouwerij telde men op zeker ogenblik slechts 18 lege tonnen. In de koestal stonden vijf koeien en een kalf, in de paardenstal twee zwarte trekpaarden en een veulen. Het weinige waardevolle dat er nog was, had de gravin naar Antwerpen laten overbrengen.

Bij de dood van gravin Gabriëla in 1709, ging het Land van Hoogstraten over in handen van haar kleinzoon, vorst Niklaas Leopold van Salm, geboren te Nancy in 1701.
De jonge graaf kreeg door de Soevereine Raad van Brabant een voogd aangewezen, en volgens het toenmalige recht zou hij eerst op 25-jarige leeftijd over zijn goederen kunnen beschikken, tenzij hij eerder meerderjarig werd verklaard.

Ondertussen probeerden gemeentebesturen en de hogere, grafelijke overheden een zeker symbiose te betrachten, maar soms was de verstandhouding dermate zoek dat geschillen niet meer in der minne konden worden geregeld, en werden er processen ingespannen om recht te kunnen doen gelden.
Er waren nogal wat betwistingen over het kappen van bomen die van kapitaal belang waren voor de bouwnijverheid, en ook het eeuwenoude karweirecht waar de graven zich nog steeds op beriepen, bleek meermaals voor verschillende interpretatie vatbaar te zijn. Er werd voortdurend gewikt en gewogen om elkaars belangen te kunnen verzoenen.
Zo eiste de jonge graaf, door zijn huwelijk in 1719 meerderjarig verklaard, in 1723 48 manschappen uit de omliggende dorpen op voor het ruimen van de grachten rond het kasteel. Na veel palaveren verleenden de dorpsbesturen hun instemming, maar ze eisten voor iedere arbeider, "buiten drinkebier, ook een pond boter en tien pond brood per week, telkens ´s maandags te leveren". Zoals in het verleden vroegen zij op hun beurt bescherming in geval van oorlog, en bepaalde vrijstellingen. Ondanks de overeenkomsten bleven er betwistingen. Zo kwam er in bovenstaand geval een notaris aan te pas om de arbeiders harder en sneller te laten werken. In de ogen van de graaf schoot het werk immers niet snel genoeg op.

Het huwelijk tussen vorst Niklaas van Salm en zijn nicht Dorothea van Salm in 1719 was zonder meer een mariage de raison, en betekende een aanzienlijke uitbreiding van het grondbezit en de invloed van het Salm-geslacht. En hoewel de jonge graaf het kasteel reeds sinds 1716 betrok, zou het toch nog twee jaar duren voor het jonge paar zich er zou vestigen.
Misschien was het aanvankelijk nog te schaars bemeubeld en voelde de gravin er niet veel voor er meesttijds zonder echtgenoot te verblijven die in het leger was. In 1721 werd de gravin dan toch plechtig ingehaald te Hoogstraten, terwijl de graaf in Antwerpen ziek te bed lag. Mogelijk had deze, ondanks het feit dat hij in het leger diende, een zwak gestel, een devote en bekommerde moeder had hij alleszins. In zorgvuldig bewaarde brieven schreef zij hem immers de recent zalig verklaarde Sint Jan Nepomuk om bijstand te aanroepen. Ze stuurde hem onder meer een "prentje, dat aan zijn heilig gebeente werd aangeraakt, toen men de lijkkist opende".
Ze maande hem verder aan geen wijn te drinken, of althans zo weinig mogelijk, en vroeg hem haar meer te schrijven om op de hoogte te worden gehouden van zijn ´sombere stemming´ en ´ziekelijke toestand´.
In een andere, niet gedateerde brief luidt het : "Ik hoop, mijn lief kind, dat gij van Rome de toelating zult bekomen hebben om vlees te eten. Ik ben er ook blij om dat gij water van Spa gebruikt. Volgens mij is het zeer goed voor uw gestel."

De vorst zelf verbleef in die jaren nauwelijks in Hoogstraten, in tegenstelling tot de gravin die er vermoedelijk regelmatig zomerverblijf hield.
Eind januari 1751 overleed zij in het ouderlijk kasteel te Anholt. Haar hart werd, zoals gebruikelijk was, uitgenomen en apart gekist. Haar lichaam werd gebalsemd, en in september van dat jaar begraven in de Sint-Katharinakerk.

 

Van graafschap naar hertogdom 

Na het overlijden van vorst Lodewijk Otto van Salm in 1738, gingen al zijn titels en eigendommen over op rijngraaf Niklaas Leopold, omwille van diens huwelijk met de oudste dochter van de vorst, rijngravin Dorothea van Salm.
In 1739 verwierf hij de titel Rijksvorst en werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van het Gulden Vlies. Hierdoor behoorde de Rijngraaf voortaan tot de hoogste adel in het Roomse Rijk en werd hij een van de rijkste grootgrondbezitters. De bescheiden inkomsten van het graafschap Hoogstraten verdrie- of verviervoudigden, en voorlopig althans waren de financiële besognes van de baan.
Op verzoek van Niklaas Leopold werd het graafschap in 1740 tot hertogdom verheven, en door een akkoord met de tweede tak van de familie werd hij in 1743 officieel Vorst van Salm Salm.

Een jaar later werd hij gouverneur van Antwerpen, en het bleef de kersverse hertog voor de wind gaan.
Op 7 januari 1755 blokletterde de Gazet van Antwerpen: "Op 5 januari te 11 uur ging heel het magistraat van Antwerpen in groep de vorst van Salm Salm, hertog van Hoogstraten, feliciteren en de erewijn aanbieden ter gelegenheid van zijn bevordering tot veldmaarschalk van het keizerlijk leger. De vorst nodigde allen ´s middags aan tafel."

Politiek-maatschappelijk en financieel mocht een en ander dan al gunstig evolueren, op persoonlijk vlak ondervond de hertog nogal wat moeilijkheden.
Na het overlijden van vorstin Dorothea, vroeg hij haar jongere zus prinses Christina ten huwelijk, maar hiertegen bestond echter kerkelijk beletsel, namelijk verwantschap in de eerste graad. Om hiervoor pauselijke dispensatie te verkrijgen diende de hertog een verzoekschrift in, waarin hij o.a. de verwezenlijkingen van zijn familie ten gunste van de Kerk opsomde. Zijn voorouders hadden niet alleen de Sint-Katharinakerk laten bouwen, maar eveneens twee kloosters gesticht en begiftigd. Dit viel bij Rome blijkbaar in goede aarde, de huwelijkstoestemming werd verleend, op voorwaarde dat de vorst verder voor liefdadigheidswerken zou zorgen. En zo geschiedde.

De hertog schonk met milde hand en liet in en om de kerk tal van kunst- en verfraaiingswerken ontwerpen en uitvoeren, zoals heiligenbeelden, schilderijen, preekstoelen, grafkelders en altaren.
En hij deed nog meer. Bossen en heiden werden verder ontgonnen, nieuwe aanplantingen werden gedaan, en op het domein De Hees liet hij een riant jachthuis bouwen. De typische, symmetrische drevenstructuur, die goeddeels is verdwenen, maar waarvan thans nog steeds sporen terug te vinden zijn, dateert, uit die periode.
Omstreeks die tijd verkreeg de hertog ook toestemming van de bisschop om met paarden en koetsen van het kasteel naar De Hees te rijden, dwars over de begraafplaats, die zoals toen gebruikelijk was, rond de kerk lag. Aan de noordkant liet hij de weg met twee kunstig gesmede ijzeren poorten afsluiten, die aan zware arduinen pilasters hingen. Er was weer geld voor de nodige pracht en praal. Gefortuneerd als hij inmiddels was, liet hij vlakbij het kasteel een ijskelder bouwen. Dit was een cirkelvormig, bakstenen gebouw met koepelgewelf van ongeveer 8 meter doorsnede en 6 meter diep. Een gang van ongeveer 15 meter leidde naar de ingang en die was zo breed dat men er met paard en kar kon inrijden. Als het ijs in de grachten rond het kasteel tijdens de wintermaanden dik genoeg was, werden er grote blokken uit gehakt, die naar de kelder werden vervoerd en zodoende kon men er slachtvlees bewaren. Men schat dat er wel 200 kubieke meter ijs in kon. Als stille getuige hiervan vindt men ten noorden van het kasteel nog steeds die cirkelvormige verhevenheid terug.

In die jaren kocht de hertog eveneens tal van hoeven die door zijn rentmeester werden verpacht en die eveneens belast was met het eigenlijke beheer van eigendommen en goederen.
Hij zag toe op het onderhoud van de toenmalige nutsvoorzieningen die de facto overheidseigendom waren. Op het malen van graan in wind- en watermolens werd belasting geheven, de rentmeester beheerde in samenspraak met bos- en jachtwachters het hout- en wildbestand.
Maar de hertog bleef niet gespaard van moeilijkheden. Zijn oudste zoon Lodewijk had een ernstige vergroeiing van de ruggegraat en was derhalve niet geschikt als stamhouder. Hem werd een loopbaan in de geestelijke stand in het vooruitzicht gesteld - maar liefst drie abdijen kreeg hij ter beschikking - en gedurende verscheidene jaren liet deze zijn eerstgeboorterecht niet gelden. Zijn tweede zoon Willem sneuvelde op twintigjarige leeftijd. De derde zoon, prins Maximiliaan, was voorbestemd om de hertog op te volgen, maar na het overlijden van deze, maakte Lodewijk weer aanspraak op zijn rechten en kwam het tot een hevige broedertwist. Uiteindelijk erfde Maximiliaan het hertogdom, en meermaals verbleef hij te Hoogstraten, maar in 1773, drie jaar na het overlijden van zijn vader, stierf hij reeds.

Ondertussen had het eigenlijke kasteel, dat op de huidige binnenplaats stond, behoorlijk veel geleden. In 1752, en opnieuw in 1758, werd het zwaar door brand geteisterd, en nadien werd het niet meer heropgebouwd.
Sporen van de toenmalige weelde en een zekere hang naar het uitheemse vindt men terug in de inventarissen die destijds na overlijdens werden gemaakt. Zo moeten er in de tuinen rond het kasteel serres met exotische planten hebben gestaan die werden verwarmd door vier grote, gietijzeren kachels. Op zeker ogenblik telde men "25 grote en 46 kleine oranjebomen, 7 grote en 6 kleine laurierbomen, 3 grote mirtebomen, 78 grote ananassen, 102 jonge kroonananassen, 2 Spaanse Porterlakplanten, 4 aloëbomen, 8 Jesminenbomen en 7 grote vijgebomen".

Bij het uitbreken van de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk, was de verwarring over de erfopvolging binnen de familie Salm Salm nagenoeg totaal. Hoewel prins Konstantijn, na het overlijden van Maximiliaan, het hertogdom erfde, genoot zijn moeder, Hertogin Louise Eleonora, het vruchtgebruik van het kasteel en het Hof van Hoogstraten te Antwerpen, en werd ze aangesteld als voogdes van haar minderjarige zoon.
Voor het beheer van eigendommen en goederen was ze aangewezen op verscheidene raadsmannen en de verstandhouding was bepaald slecht te noemen. Bittere verwijten werden heen en weer geslingerd, en dit kwam het beheer uiteindelijk niet ten goede. De hertogin verbleef in die jaren meermaals in Hoogstraten, maar met de Brabantse Omwenteling in 1789, scheen er op politiek vlak een en ander in een stroomversnelling te komen. Keizer Jozef II werd op de pui van het stadhuis vervallen verklaard, het kasteel lieten de patriotten vooralsnog ongemoeid. Bij de eerste inval van de Fransen in 1792-1793 bleef de hertogin nog in Hoogstraten, maar na de alarmerende berichten over het Schrikbewind van Robespierre in Parijs, waar honderden geestelijken en edellieden eindigden onder de guillotine, verliet ze voorgoed het Gelmelslot, waardoor er virtueel een einde kwam aan het Huis van Salm Salm op het kasteel.

In 1796 werd het kasteel dan toch in beslag genomen en geplunderd.
De afwezige vorst Konstantijn werd als buitenlander en emigrant beschouwd, het slot zelf werd ingericht als kazerne voor de Franse gendarmerie. Hoogstraatse kloosters werden te koop aangeboden, opnieuw was er verwarring alom. Om te ontkomen aan priestervervolging, legde de pastoor van de Sint-Katharinakerk de eed van trouw af aan de Franse republiek. Hoogstraten zelf verloor de titels van stad, vrijheid en hertogdom, en werd kantonhoofdplaats.

[Naar boven ]