|
Na het overlijden van vorst Lodewijk Otto van Salm in 1738, gingen al zijn titels en eigendommen over op rijngraaf Niklaas Leopold,
omwille van diens huwelijk met de oudste dochter van de vorst, rijngravin Dorothea van Salm.
In 1739 verwierf hij de titel Rijksvorst en werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van het Gulden Vlies.
Hierdoor behoorde de Rijngraaf voortaan tot de hoogste adel in het Roomse Rijk en werd hij een van de rijkste grootgrondbezitters.
De bescheiden inkomsten van het graafschap Hoogstraten verdrie- of verviervoudigden, en voorlopig althans waren de financiële besognes van de baan.
Op verzoek van Niklaas Leopold werd het graafschap in 1740 tot hertogdom verheven, en door een akkoord met de tweede tak van de familie werd hij in 1743
officieel Vorst van Salm Salm.
Een jaar later werd hij gouverneur van Antwerpen, en het bleef de kersverse hertog voor de wind gaan.
Op 7 januari 1755 blokletterde de Gazet van Antwerpen: "Op 5 januari te 11 uur ging heel het magistraat van Antwerpen in groep de vorst van Salm Salm,
hertog van Hoogstraten, feliciteren en de erewijn aanbieden ter gelegenheid van zijn bevordering tot veldmaarschalk van het keizerlijk leger.
De vorst nodigde allen ´s middags aan tafel."
Politiek-maatschappelijk en financieel mocht een en ander dan al gunstig evolueren, op persoonlijk vlak ondervond de hertog nogal wat moeilijkheden.
Na het overlijden van vorstin Dorothea, vroeg hij haar jongere zus prinses Christina ten huwelijk, maar hiertegen bestond echter kerkelijk beletsel,
namelijk verwantschap in de eerste graad. Om hiervoor pauselijke dispensatie te verkrijgen diende de hertog een verzoekschrift in, waarin hij o.a.
de verwezenlijkingen van zijn familie ten gunste van de Kerk opsomde. Zijn voorouders hadden niet alleen de Sint-Katharinakerk laten bouwen,
maar eveneens twee kloosters gesticht en begiftigd. Dit viel bij Rome blijkbaar in goede aarde, de huwelijkstoestemming werd verleend, op voorwaarde dat de vorst
verder voor liefdadigheidswerken zou zorgen. En zo geschiedde.
De hertog schonk met milde hand en liet in en om de kerk tal van kunst- en verfraaiingswerken ontwerpen en uitvoeren, zoals heiligenbeelden, schilderijen,
preekstoelen, grafkelders en altaren.
En hij deed nog meer. Bossen en heiden werden verder ontgonnen, nieuwe aanplantingen werden gedaan, en op het domein De Hees liet hij een riant jachthuis bouwen.
De typische, symmetrische drevenstructuur, die goeddeels is verdwenen, maar waarvan thans nog steeds sporen terug te vinden zijn, dateert, uit die periode.
Omstreeks die tijd verkreeg de hertog ook toestemming van de bisschop om met paarden en koetsen van het kasteel naar De Hees te rijden, dwars over de begraafplaats,
die zoals toen gebruikelijk was, rond de kerk lag. Aan de noordkant liet hij de weg met twee kunstig gesmede ijzeren poorten afsluiten,
die aan zware arduinen pilasters hingen. Er was weer geld voor de nodige pracht en praal.
Gefortuneerd als hij inmiddels was, liet hij vlakbij het kasteel een ijskelder bouwen. Dit was een cirkelvormig, bakstenen gebouw met koepelgewelf van ongeveer
8 meter doorsnede en 6 meter diep. Een gang van ongeveer 15 meter leidde naar de ingang en die was zo breed dat men er met paard en kar kon inrijden.
Als het ijs in de grachten rond het kasteel tijdens de wintermaanden dik genoeg was, werden er grote blokken uit gehakt, die naar de kelder werden vervoerd en
zodoende kon men er slachtvlees bewaren. Men schat dat er wel 200 kubieke meter ijs in kon. Als stille getuige hiervan vindt men ten noorden van het kasteel nog steeds
die cirkelvormige verhevenheid terug.
In die jaren kocht de hertog eveneens tal van hoeven die door zijn rentmeester werden verpacht en die eveneens belast was met het eigenlijke beheer van eigendommen
en goederen.
Hij zag toe op het onderhoud van de toenmalige nutsvoorzieningen die de facto overheidseigendom waren. Op het malen van graan in wind- en watermolens werd belasting
geheven, de rentmeester beheerde in samenspraak met bos- en jachtwachters het hout- en wildbestand.
Maar de hertog bleef niet gespaard van moeilijkheden. Zijn oudste zoon Lodewijk had een ernstige vergroeiing van de ruggegraat en was derhalve niet geschikt
als stamhouder. Hem werd een loopbaan in de geestelijke stand in het vooruitzicht gesteld - maar liefst drie abdijen kreeg hij ter beschikking - en gedurende
verscheidene jaren liet deze zijn eerstgeboorterecht niet gelden. Zijn tweede zoon Willem sneuvelde op twintigjarige leeftijd.
De derde zoon, prins Maximiliaan, was voorbestemd om de hertog op te volgen, maar na het overlijden van deze, maakte Lodewijk weer aanspraak op zijn rechten
en kwam het tot een hevige broedertwist. Uiteindelijk erfde Maximiliaan het hertogdom, en meermaals verbleef hij te Hoogstraten, maar in 1773,
drie jaar na het overlijden van zijn vader, stierf hij reeds.
Ondertussen had het eigenlijke kasteel, dat op de huidige binnenplaats stond, behoorlijk veel geleden. In 1752, en opnieuw in 1758, werd het zwaar door brand geteisterd,
en nadien werd het niet meer heropgebouwd.
Sporen van de toenmalige weelde en een zekere hang naar het uitheemse vindt men terug in de inventarissen die destijds na overlijdens werden gemaakt.
Zo moeten er in de tuinen rond het kasteel serres met exotische planten hebben gestaan die werden verwarmd door vier grote, gietijzeren kachels.
Op zeker ogenblik telde men "25 grote en 46 kleine oranjebomen, 7 grote en 6 kleine laurierbomen, 3 grote mirtebomen, 78 grote ananassen, 102 jonge kroonananassen,
2 Spaanse Porterlakplanten, 4 aloëbomen, 8 Jesminenbomen en 7 grote vijgebomen".
Bij het uitbreken van de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk, was de verwarring over de erfopvolging binnen de familie Salm Salm nagenoeg totaal.
Hoewel prins Konstantijn, na het overlijden van Maximiliaan, het hertogdom erfde, genoot zijn moeder, Hertogin Louise Eleonora,
het vruchtgebruik van het kasteel en het Hof van Hoogstraten te Antwerpen, en werd ze aangesteld als voogdes van haar minderjarige zoon.
Voor het beheer van eigendommen en goederen was ze aangewezen op verscheidene raadsmannen en de verstandhouding was bepaald slecht te noemen.
Bittere verwijten werden heen en weer geslingerd, en dit kwam het beheer uiteindelijk niet ten goede. De hertogin verbleef in die jaren meermaals in Hoogstraten,
maar met de Brabantse Omwenteling in 1789, scheen er op politiek vlak een en ander in een stroomversnelling te komen.
Keizer Jozef II werd op de pui van het stadhuis vervallen verklaard, het kasteel lieten de patriotten vooralsnog ongemoeid.
Bij de eerste inval van de Fransen in 1792-1793 bleef de hertogin nog in Hoogstraten, maar na de alarmerende berichten over het Schrikbewind van Robespierre in Parijs,
waar honderden geestelijken en edellieden eindigden onder de guillotine, verliet ze voorgoed het Gelmelslot,
waardoor er virtueel een einde kwam aan het Huis van Salm Salm op het kasteel.
In 1796 werd het kasteel dan toch in beslag genomen en geplunderd.
De afwezige vorst Konstantijn werd als buitenlander en emigrant beschouwd, het slot zelf werd ingericht als kazerne voor de Franse gendarmerie.
Hoogstraatse kloosters werden te koop aangeboden, opnieuw was er verwarring alom. Om te ontkomen aan priestervervolging, legde de pastoor van de Sint-Katharinakerk
de eed van trouw af aan de Franse republiek. Hoogstraten zelf verloor de titels van stad, vrijheid en hertogdom, en werd kantonhoofdplaats.
[Naar boven ]
|