Het Gelmelslot van Hoogstraten

Inleiding
Het legendarisch ontstaan
De eerste ´Vrouwen en Heren´ van Hoogstraten
Antoon de Lalaing & Elisabeth Culemborgh
Hoogtepunt en verval : de volgende graven
De vorsten van Salm Salm
Nieuwe tijden, een nieuwe bestemming
Het kasteel als bedelaarshuis, landbouwkolonie en penitentiair schoolcentrum
De verschillende bouwstijlen van het huidige complex

 

Na zijn dood viel het Rijk van Karel de Grote uiteen in West-Frankenrijk, het Rijk van Lot of Lotrijk (Lotharingen) en het Oost-Frankenrijk.
Hoogstraten behoorde tot het Rijk van Lot dat gaandeweg verbrokkelde, en het was Hendrik I, Hertog van Brabant, die in 1210 Hoogstraten stadsrechten schonk. Die keure is nooit teruggevonden, maar vermoedelijk stonden hierin de rechten en plichten van de kasteelheer en de burgers van de Vrijheid beschreven.

De vroege Middeleeuwen waren duistere tijden en de overwegend arme bevolking beschikte niet over afdoende middelen om zich tegen rovers, plunderaars en vreemde troepen te verdedigen.
Telkens er gevaar dreigde en bij gebrek aan politiebescherming, zochten de burgers hun heil binnen de veilige kasteelmuren. In ruil hiervoor werden hen wederdiensten opgelegd, en droegen de burgers aldus bij tot de rijkdom en voorspoed van de kasteelbewoners en de omgeving. Het Land van Hoogstraten was bijna integraal eigendom van de kasteelheren. De vesting zelf was omringd met een slotgracht en voorzien van een ophaalbrug, kantelen, schietgaten en wachttorens.
Het leenstelsel was nog in voege, en tal van mensen waren verplicht om een aantal dagen voor hun Heer te werken of een gedeelte van hun oogst of sommige producten van hun arbeid aan hem af te staan. Soms werden er afspraken gemaakt tussen de Heer en het hele dorp, en volgens het toenmalige erfrecht gingen die plichten en rechten over van generatie op generatie.
In feite was de Heer nagenoeg oppermachtig in het gebied dat hij bestuurde, en zo stond het hem vrij grond of andere voordelen af te staan aan individuele horigen of bepaalde groepen mensen. Soms kreeg ook de hele gemeente bepaalde vrijheden, en vermoedelijk dateert uit deze periode eveneens de naam van nog steeds de belangrijkste straat van de stad, de Vrijheid. De bewoners ervan wisten zich met elkaar verbonden en iedereen had belang bij een goede verstandhouding met de eigenaars van het kasteel.

De historische tijd (vanaf het ogenblik dat men geschriften terugvindt) begint voor Hoogstraten in 1234.
Uit een oorkonde van dat jaar kan opgemaakt worden dat Joanna, Vrouwe van Hoogstraten, en weduwe van Wenemar van Gemmenich, Heer van Gelmel, toen in het kasteel verbleef. Haar dochter Sophia, huwde Willem van Cuyck, en zo ontstond een hele dynastie. De mannen uit het geslacht van Cuyck, die Heren van Hoogstraten werden genoemd, kregen zonder uitzondering allemaal de naam Jan. (Jan van Cuyck I, II, III, IV en V.)
Op het stadhuis hangt een schilderij van Karel Boom dat Jan van Cuyck voorstelt voor zijn kasteel, maar noch het uiterlijk van de Heer, noch dat van het kasteel, zijn historisch. Vermoedelijk werd op het einde van de 12de eeuw de oorspronkelijke houten burchttoren verbouwd tot een stenen fort.

De wellicht relatief goede betrekkingen tussen het kasteel en de bevolking resulteerden gaandeweg tot een zekere economische vooruitgang en de ontsluiting van het gebied. Wegen werden verhard en aangelegd, bos- en heidegronden werden ontgonnen, er werd handel gedreven en bepaalde ambachten kwamen tot bloei.
Hoogstraten lag op de weg van Antwerpen naar het bestuurlijke centrum der Lage Landen, Breda. Verbindingen waren er naar Lier en ´s Hertogenbosch. Handelaars passeerden, winkeliers deden zaken, er was nogal wat bedrijvigheid. De burgers hadden hun inkomen, maar waren aan de Heer bepaalde belastingen verschuldigd, die door zijn rentmeester werden geïnd.

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Hoogstraten trouwens zijn naam te danken aan de uitzonderlijke ligging van wat als een overblijfsel, respectievelijk vertakking van een Romeinse heirbaan kan worden beschouwd. Toen Jan I van Cuyck in 1357 stierf, werd deze belangrijke verbindingsweg, de Vrijheid, bestraat met kasseien. Passanten met paarden en karren, met hoornvee of kudden schapen, varkens of zelfs ganzen, moesten een soort tol, kasseigeld betalen om deze verbeteringen te kunnen bekostigen. De kasseien werden per schip aangevoerd uit het Doornikse, over de Schelde, de Rupel en de Grote Nete tot Lier, of over de Maas en de Mark, tot Ginneken, een voormalige gemeente vlakbij Breda. Daar moesten de inwoners van al de dorpen van Het Land van Hoogstraten die over paard en kar beschikten, naartoe om kasseien op te halen. Het werk zelf werd uitgevoerd door andere inwoners van het gebied, en eeuwenlang konden graven en hertogen zich beroepen op het karweirecht om in het gebied onder hun bestuur werken te laten uitvoeren in het algemeen belang of voor het onderhoud of verbetering van hun bezittingen.

Na de dood van Jan I van Cuyck, bezaten zijn zonen, Jan II en Hendrik, het grondgebied in onverdeeldheid. Jan II scheen echter een verkwister en wellicht om die reden vroeg Hendrik zijn deel.
In 1358 kwam het tot een minnelijke schikking en deling. Hendrik stelde zich echter niet tevreden met het grondgebied van de toenmalige heerlijkheid en de parochie Vorsel (het huidige Rijkevorsel-), maar hij eiste bovendien nog vijf gehuchten, die tot de heerlijkheid en de parochie Wortel behoorden, namelijk Bolk, Keirschot, Achtel, Leemputten en Houterle. Op kerkelijk gebied hingen deze voortaan af van de pastoor van Wortel, op wereldlijk gebied echter van Heer Hendrik van Cuyck, van toen af Heer van Vorsel.
Na meer dan 600 jaar zijn de gevolgen nog steeds zichtbaar, want Bolk en Keirschot behoren nog tegelijkertijd tot Wortel en Rijkevorsel, het Forsela (Vorsel) van Rick, Hendrik.

Het kasteel zelf kwam later in handen van Jasper van Culemborg. Zijn echtgenote Joanna (familie van Filips de Goede en Karel de Stoute) bracht de pracht en praal van de trotse Bourgondische adel naar de Kempen en schonk in 1475 het leven aan Elisabeth, de eerste van vijf dochters. Als erfgename werd ze opgevoed zoals haar moeder, en werd ze hofdame bij Keizer Karel. In 1501 huwde ze met Jan van Luxemburg, Heer van Ville, een dorp bij Marche, in de provincie Luxemburg. Drie jaar later kwamen ze naar Hoogstraten en na het overlijden van haar vader, werden ze op 12 mei 1505 plechtig ingehaald als Heer en Vrouw van Hoogstraten.
Jan overleed echter in 1507 en in 1508 hertrouwde Elisabeth met Antoon de Lalaing.

[Naar boven ]